
|
Kleding. Wij, de Cannenburgher Boerendansers, hebben ons in de 'door-de-weekse-uitgaans-dracht' van om en nabij 1890 gestoken. Het geheel komt nogal somber en sober over, mede doordat men in die tijd op de Veluwe erg krap bij kas was. Het meest opvallend is de muts van onze boerinnen. Deze daagse uitgaansmuts, een zogenaamde plooimuts, is vervaardigd van Zwitserse broderie. De bol is ovaal-vormig en op de kruin is een inzetsel aangebracht. Rondom dit inzetsel worden een golvend strookje van machinaal katoenen kant en daarbovenop een voorgeplooid strookje wit band gezet. De muts wordt in model gebracht door aan weerszijden van het gezicht drie platte plooien in te leggen. Langs het gezicht zitten twee voorgeplooide stroken boven elkaar. De onderste strook is iets breder dan de bovenste en is in het midden iets ingedeukt. De achterstrook is een reep katoen, afgezet met een kantje. Deze strook wordt op een zigzag manier gevouwen en over het midden van de strook vastgenaaid, zodat het geheel niet uit elkaar kan vallen. Deze plooistrook wordt vervolgens achter om de bol gelegd en daarna vastgenaaid. Door middel van twee bandjes in een schuif wordt in de nek de muts op maat gebracht. De hele muts wordt met twee keper of linnen bandjes onder de kin gestrikt. Bovendien komen aan de muts ook nog twee keelbanden, waarvan de uiteinden versierd zijn met broderie en kant. Deze banden worden gestrikt en dit geeft een vlinder effect (nu wel snorre genoemd). Deze snorre kan ook een voorgenaaide strik zijn, die aan de bandjes wordt gezet met behulp van haak en oog en die aan de onderkant van de muts wordt vastgehaakt.
De daagse kleding van de boerinnen rond de eeuwwisseling was nogal saai. Meestal was de kleding zwart (ook gemakkelijk voor rouw en trouw en toch ook wel deftig), maar anders gekleurde jakken en rokken kwamen ook vrij veel voor, bijvoorbeeld donkerbruin of donkergroen. Oorspronkelijk droeg men een hooggesloten jak. Om het geheel als dansgroep wat op te fleuren heeft men het jak voorzien van een ronde hals met daarin een geruit halsdoekje. Dit halsdoekje werd voornamelijk in Elspeet gedragen. De grondvorm van dit geruite halsdoekje is een vierkante lap, die tot een driehoek wordt gevouwen. In de nek wordt de doek geplooid en vastgezet op het jak. De twee punten worden aan de voorzijde in het jak gedragen. Zowel rok als jak zijn gemaakt van Marinos, Trileen, Tabe of Barite. Over de rok komt een blauwe kantoenen schort met geruit bovenstukje. De lange schortbanden worden aan de rugzijde gekruist en op de buikzijde gestrikt. Om het geheel nog af te maken, worden in de hoge, blankgeschuurde klompen, een paar lange wollen zwarte kousen gedragen. Is de boerin aangekleed om uit te gaan, dan pakt ze haar spoormandje en haar zwarte wollen omslagdoek en gaat op stap.
De boer ziet er veel stijver uit in zijn 'deftig' driedelig zwart pak, dat gemaakt is van een lakenstof (o.a. van Drape, Vicuna of lnduskin). De jas wordt zowel met als zonder slip gedragen en is afgezet met zwart tresband. Als het met het dansen wat 'te heite' wordt, mogen de jassen uitgedaan worden. Het zwarte vest en de blauwgrijze boezeroens zijn dan beter te zien. Het vest is hooggesloten, ook weer afgezet met tresband en is versierd met een dubbele rij knopen van steennoot.
Om het geheel iets op te fleuren is er op de pet (een bodempet) een papieren roos aangebracht. De kleuren van deze roos zijn dezelfde kleuren die in het wapen van Maarten van Rossum te vinden zijn, te weten geel en rood. Vroeger werden uitsluitend bij heel bijzondere gelegenheden schoenen gedragen. Vroeger hadden de meeste boeren het op de schrale zandgronden van de Veluwe niet al te breed. Sieraden had maar een enkeling. Daarom dragen ook niet alle dames een broche of halsketting van bloedkoralen. De mannen hadden bijna allen wel een horloge aan een ketting, maar die was meestal van nikkel in plaats van zilver of goud. 'Wie het niet breed had, kon het niet breed laten hangen', maar ging men op een door de weekse dag uit, dan wel helemaal 'aangekleed' zoals het hoorde!
Vijfendertig jaar hebben de vrouwen van onze dansgroep de kleren gedragen zoals hiervoor is omschreven. In 1993 zijn we er toe overgegaan onze vrouwen de kleding te geven passend in onze eigen gemeente.
Hoe ziet deze kleding er nu uit ?
Allereerst een jak in verschillende kleuren, globaal van grijs-groen tot bruinblauw (geen zwart). Meestal heeft het jak een opstaand boordje om de hals, het schootje heeft een lengte tot net boven de knieën. Op enkele plaatsen, mouwen en rug, is een dunne voering gemaakt, voornamelijk om het transpireren tegen te gaan. De meeste jakken zijn versiert met zwart kant, met name op de voorzijde, op de boord van de mouwen en/of op het opstaand boordje aan de bovenzijde van het jak. De rok blijft zwart, de schort is geheel van een klein geruite stof gemaakt in de kleur van het jak. In het algemeen wordt bij deze door de weekse dracht een plooimuts gedragen.
Hoewel de knipmuts een muts is voor de zondag werd de knipmuts ook wel door de week gedragen, bijvoorbeeld bij marktbezoek, feestelijkheden, visites enz. De zwarte omslagdoek blijft bij de hand. De dansers dragen de blank geschuurde hoge klompen. Het dragen van zogenaamde leertjes-klompen gebeurde ook wel, vooral bij de vrouwen. Deze nieuwe kleding stamt eveneens uit omstreeks 1890.
|
